Het bestemmingsplan ‘Woongebied Driebergen’ dat enkele jaren terug vastgesteld werd, blijkt in de praktijk veel te rigide. De gemeente moet op zoek gaan naar meer flexibiliteit in nog op te stellen bestemmingsplannen.
Dienstverleners zoals makelaars, architecten, aannemers samen optrekkend met eigenaren van woonhuizen, winkels, bedrijven en landgoederen blijken in de praktijk ‘noch vóór noch achteruit’ te kunnen als het gaat om aanpassingen van bestaande gebouwen. Daarom moeten ambtenaren voortdurend nee verkopen; een ondankbare taak. De rigiditeit leidt weer tot aanvragen tot aanpassing van bestemmingsplannen met als gevolg een hoge werkdruk bij het ambtelijke apparaat en veel tijdverlies voor aanvragers.
Als gevolg blijk in de praktijk dat er nogal wat dienstverleners zijn die zich niet meer met (potentiele) opdrachten in dit werkgebied willen inlaten omdat ze toch nul op het rekest zullen krijgen.
Verandering
In de 60 jaar na de oorlog hebben we een enorme sprong in onze welvaart meegemaakt. In de jaren vijftig was er een schaarste aan bouwmaterialen en bouwde men ook heel compact: betrekkelijk kleine kamers met kleine ramen, een kleine keuken, schuurtje in de tuin en een garage waar de hedendaagse auto al lang niet meer in past.
Ook is er in die periode demografisch veel verandert. Er zijn veel eenpersoons huishoudens gekomen en gezinnen met 1 ouder maar ook extra grote gezinnen met een vader en een moeder met kinderen uit een eerder huwelijk. De eisen die men aan woonhuizen stelt is daarmee sterk verandert.
Voor wat betreft de werkgelegenheid veranderde ook veel. Zo heeft onze gemeente inmiddels een paar duizend ZZP-ers (bijv. coaches) binnen haar grenzen die liefst kantoor aan huis hebben en daardoor een extra kamer in het eigen huis zoeken.
Juist om die redenen moet een bestemmingsplan meegroeien met de huisvestingsbehoefte van burgers en ondernemers. En dat doet het bestemmingsplan ‘Woongebied Driebergen’ niet. Iedere ontwikkeling wordt in feite op voorhand de kop ingedrukt.
Hoe breng je meer flexibiliteit in bestemmingsplannen ?
Definieer een “bouwvlek” in plaats van een strak bouwvlak en verlang dat (zeg) 80% van de bebouwing binnen die vlek gerealiseerd moet worden. Eis voor de bouwhoogte dat de goothoogte gemiddeld 6 meter is en mag variëren van (zeg) 5 tot 7 meter. Hetzelfde voor de nokhoogte.
Zo’n vrijheid komt bovendien de speelsigheid van de bebouwing ten goede.
Ons advies: vraag aan stedenbouwkundigen om flexibele criteria aan te reiken waarbij bouwdichtheid en gemiddelde bouwhoogte onaangetast blijft.
Paul Blom
Voorzitter Zakelijk Heuvelrug
31 oktober 2011